Vanaf 2025 verandert er opnieuw het een en ander in box 3. Voor wie vermogen heeft, sparen, beleggen of een tweede woning, kan dat flink schelen op de aangifte. We zetten op een rij wat er speelt en, belangrijker, wat je er nu al aan kunt doen.
De afgelopen jaren is box 3 een bewegend doel. Na de uitspraak van de Hoge Raad rekent de Belastingdienst steeds meer met werkelijk rendement in plaats van een forfait dat vaak te hoog lag. Voor 2025 betekent dat een overgangsstelsel, waarin het type vermogen bepaalt hoe je belast wordt.
Drie soorten vermogen
Je vermogen valt uiteen in drie categorieen, elk met een eigen rendementspercentage: banktegoeden, overige bezittingen zoals beleggingen en een tweede woning, en schulden. Spaargeld wordt licht belast, beleggingen zwaarder. De verdeling van je vermogen over die categorieen bepaalt dus je aanslag.
- Banktegoeden: een laag, aan de spaarrente gekoppeld percentage
- Overige bezittingen: een hoger percentage voor beleggingen en vastgoed
- Schulden: aftrekbaar tegen een eigen percentage
De grootste besparing zit zelden in een truc, maar in het op tijd overzien van je hele plaatje.
Wat je nu al kunt regelen
Je hoeft niet te wachten tot de aangifte. Door je vermogen bewust te verdelen, bijvoorbeeld tussen prive en de bv, of tussen sparen en beleggen, stuur je mee op de uitkomst. Ook de peildatum van 1 januari speelt mee: wat er op dat moment op je rekening staat, telt.
Voor DGA's is de afweging tussen dividend uitkeren of in de bv laten extra relevant geworden. Wat fiscaal het slimst is, hangt af van je totale situatie, en die is voor iedereen anders.
Kort samengevat
Box 3 wordt eerlijker, maar ook ingewikkelder. Laat je niet verrassen door de Belastingdienst: breng je vermogen in kaart voordat het jaar om is, dan weet je waar je aan toe bent en houd je zelf de regie.